4.9 Aarding

In de afgelopen decennia werd er van uitgegaan dat een metalen steiger geaard moest zijn. Dit op basis van bepalingen uit de norm NEN 1010 (Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties), de hierbij behorende Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 5310, Publicatieblad nr 6 Stalen steigers en zijn opvolger Beleidsregel 7.4-5 (beide van de Inspectie SZW).

Enkele voorbeelden van bepalingen die je daarin tegen komt:

  • metalen steigers moeten geaard zijn, met een maximale aardweerstand van 50 Ω (Ohm);
  • metalen steigers moeten, daar waar er elektrische leidingen over lopen, geaard zijn;
  • alle metalen delen van een steiger moeten verbonden zijn met een beschermingsleiding.

Kortom, de regels bieden weinig duidelijkheid en bovendien is er geen concrete wijze van aarding beschreven. Deze paragraaf van de Richtlijn Steigers beoogt die duidelijkheid te geven.

Ontstaan van aardingsvoorschriften
Voorschriften over het aarden van steigers zijn ontstaan in een tijd waarin de “directe” beveiliging niet het niveau had wat hij nu heeft. Een tekort moest worden opgevangen door aarding, een “secundaire” beveiliging. Dit is af te leiden uit enkele in genoemde regelgeving genoemde waarden. Een voorbeeld: de in NEN 1010 voorgeschreven maximale aardweerstand van 50 Ω (Ohm) is afkomstig van de aardlekbeveiliging van 500 mA.

Praktische invulling nu
Aarding is altijd de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en dient uitgevoerd te worden door een daartoe bevoegde installateur.

Als er geen elektrische arbeidsmiddelen op de steiger worden gebruikt of geen elektrische installaties op de steiger aanwezig zijn hoeft de steiger niet te worden geaard omdat er geen potentiaalverschil aanwezig is.

In de Arbowet staat het volgende voorschrift:

Alle metalen delen van stalen steigers moeten zijn verbonden met een beschermingsleiding, wanneer zich op, langs, aan of boven de steigers elektrische kabels of leidingen bevinden, die kunnen zijn aangesloten op een onder spanning staand elektriciteitsnet.

Met het “aarden” van een steiger wordt bedoeld dat de steiger wordt verbonden met de aarding van de elektrische installatie. Met als doel een eventueel potentiaalverschil (het verschil in voltage tussen twee geleiders, zoals stroomkabel en steiger)te voorkomen.

Een potentiaalverschil kan ontstaan door:

  1. Steigers nabij een hoogspanningsleiding .
  • Hoe de steiger in de praktijk moet worden geaard, hangt sterk af van de voorschriften van het distributiebedrijf (zie pictogram).
  1. Steigers gemonteerd boven ondergrondse hoogspanningsleidingen.
  • Ook hier zijn de veiligheidsvoorschriften van het distributiebedrijf bepalend (zie pictogram).
  1. Steigers nabij een bovenleiding van tram, trein, trolleybus (zie hiervoor de veiligheidsvoorschriften van de desbetreffende bedrijven).
  • Ook hier kan de vervoersmaatschappij adviseren hoe een steiger geaard moet worden. In de praktijk wordt een horizontale afstand van 50 meter of meer als veilig beschouwd. Bij het werken in nabijheid van tram, trein of trolleybus dient men zich altijd in verbinding te stellen met het desbetreffend vervoersbedrijf en de daarbij geldende voorschriften in acht te nemen.
  1. Steigers op plaatsen waar statische elektriciteit en vonkvorming kunnen optreden.
     
  2. Steigers waarop elektrische leidingen aanwezig zijn, die beveiligd zijn met ≥ 32 A. Deze moeten een verbinding hebben tussen elektriciteitskast en steiger.
     
  3. Steigers waaraan liften geplaatst zijn. In dat geval moeten de liften gekoppeld zijn aan de veiligheidsaarding van de liftaansluitkast.

Algemene aanvullende eisen in de procesindustrie
Steigers in de procesindustrie die geleidend zijn verbonden met een staalconstructie of equipment  hoeven niet te zijn voorzien van een aardkabel. Alle vrijstaande steigers, inclusief verrijdbare steigers, moeten van een aardkabel van ten minste 25 mm2 worden voorzien en worden verbonden met de aarde van de constructie of equipment. Dit hoeft niet wanneer de voedingsspanning van de elektrische apparatuur op de steiger bij een spanning hoger dan 50 V wisselspanning of 110
V gelijkspanning en niet hoger dan 380 V beveiligd is met een 30mA aardlekschakelaar. In alle andere gevallen dienen op een werkvergunning de van toepassing zijnde maatregelen te worden opgenomen.

De aardleiding moet van deugdelijke klemmen worden voorzien met aan de steiger een speciale aardkabelkoppeling en aan de staalconstructie een klem met gepunte borgbout. De aardkabel dient door een deskundige te worden aangebracht en visueel gecontroleerd. Voor de chemische en petrochemische industrie kunnen afwijkende en extra voorschriften gelden.

Aandachtspunten:

  • Gebruikers moeten regelmatig/dagelijks controleren of de aardverbinding nog in orde is.
  • Volgens de fabrikantgegevens moet een aardlekschakelaar maandelijks handmatig worden getest.
  • Om de veiligheid van het systeem te bewaken moeten periodieke inspecties worden uitgevoerd door een deskundig persoon die zijn bevindingen vastlegt in een rapport. Hierin worden onder meer de datum van uitvoering, de naam van de controleur en de bevindingen te worden vastgelegd. 

Een initiatief van

VSB Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven
www. www.vsb-online.nl

Bouwend Nederland
www.bouwendnederland.nl

Printversie

Geïnteresseerd in een geprinte versie? Bekijk de informatie en bestel uw geprinte versie via ons online bestelformulier. 

Disclaimer

Bij de samenstelling van deze uitgave is door de Commissie Richtlijn Steigers en de instellingen en bedrijven die daaraan hebben meegewerkt, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht. Door de Commissie en meewerkende derden wordt echter geen aansprakelijkheid aanvaard indien gegevens uit deze uitgave niet mochten leiden tot het bedoelde resultaat of aanleiding mochten geven tot enigerlei schade.
U bevindt zich hier: Home Inhoud Richtlijn 4. Uitvoering van de steiger 4.9 Aarding