5.1 Valbeveiliging

In de bouw en industrie wordt steigerveiligheid vaak in verband gebracht met de veiligheid voor de gebruiker. Dat is misschien wel logisch, maar de veiligheid van de steigerbouwers moet natuurlijk ook zijn gewaarborgd. Het belangrijkste gevaar voor een steigerbouwer is van hoogte te vallen. In deze paragraaf is beschreven wat de uitgangspunten zijn en hoe je vallen van hoogte moet voorkomen.

De Arbowetgeving schrijft voor dat een werkgever de gevaren bij het werk zoveel mogelijk bij de bron moet voorkomen of indien dit niet mogelijk is beperken door technische maatregelen. Het uitgangspunt bij het nemen van technische maatregelen is een collectieve voorziening. Een collectieve voorziening biedt een veilige werkplek voor meerdere personen die gelijktijdig of kort op een volgend werkzaamheden verrichten. Bij de montage en demontage van steigers houdt dit in dat er gewerkt wordt  vanaf een veilige werkvloer of dat het gevaar is tegengegaan door het aanbrengen van doelmatig leuningen of andere voorzieningen. In sommige gevallen is het niet mogelijk collectieve voorzieningen aan te brengen en mag worden volstaan met het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) zoals harnasgordels met lijnen. Een PBM is een persoonlijk uitrustingsstuk wat op/aan het lichaam gedragen wordt.

Dit mag alleen als kan worden aangetoond:

  • dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om collectieve voorzieningen aan te brengen, of
  • dat het aanbrengen en wegnemen van deze voorzieningen grotere gevaren met zich meebrengen dan de uit te voeren werkzaamheden zelf.

De werkgever is verantwoordelijke voor een veilige werkwijze. Indien de toepassing van collectieve voorzieningen niet of beperkt mogelijk is zal de werkgever dit aantoonbaar moeten maken, bijv. middels een risico-inventarisatie en evaluatie. De werkgever dient zijn werkmethode altijd te spiegelen aan de stand van de techniek.

Ondanks dat de harnasgordel weliswaar tot de standaard uitrusting van de steigerbouwer behoort, mag men hier dus niet op voorhand voor kiezen. Een collectieve voorziening zoals leuningwerk verdient de voorkeur boven de harnasgordel. Met leuningwerk voorkom je een val, terwijl je met een harnasgordel alleen de gevolgen van de val beperkt. Het gebruik van de harnasgordel kan ook bij de algemene toepassing van een collectieve voorziening nodig zijn, bijv. bij de montage van uitbouwen.

5.1.1 COLLECTIEVE BEVEILIGING

Een collectieve beveiliging biedt een veilige werkplek voor één of meerdere personen die gelijktijdig of kort opeenvolgende werkzaamheden verrichten. Er zijn meerdere mogelijkheden om tijdens de montage en demontage collectieve beveiliging toe te passen, voorbeelden hiervan zijn:

  • Systemen met voorloopleuningen
  • Systemen zonder voorloopleuningen

Let op! Als de steiger bestemd is als metselsteiger dienen uitschuifkortelingen gebruikt te worden

Systemen met voorloopleuningen
Voorloopleuningen beveiligen een werkvloer tot dat de definitieve leuningen zijn geplaatst. Er zijn
meerdere typen voorloopleuningen:

  1. in het systeem geïntegreerde voorloopleuningen die een onlosmakelijk onderdeel van de steiger zijn en in de steiger blijven ter vervanging van de normale leuningen
  2. voorloopleuningen die tijdens de bouw van de steiger worden meegenomen en beveiliging bieden totdat de definitieve leuningen zijn geplaatst.

Bij de toepassing van voorloopleuningen zijn er de volgende aandachtspunten:

  • Aanbrengen gebeurt vanaf een veilige werkplek.
  • De elementen zijn goed hanteerbaar en eenvoudig in hun geborgde positie te brengen.
  • Indien aangebracht door één persoon mag de voorloopleuning niet zwaarder zijn dan 23 kg en in geval van twee personen mag de voorloopleuning niet zwaarder zijn dan 46 kg. Dit betekent in het algemeen dat de elementen in aluminium of kunststof moeten zijn uitgevoerd.
  • Bij voorkeur is het element universeel toepasbaar. De maatvoering behoeft dus niet te stroken met staanderafstanden, zodat ze naast elkaar kunnen worden toegepast
    .

Bij deze methode (met voorloopleuningen) wordt er gewerkt met een hulpslag waarop een hulpvloer wordt gelegd van 3 steigerdelen breed. Op deze vloer zijn alleen deskundigen van het steigermontagebedrijf actief. Vanaf de hulpslag/vloer wordt de werkslag aangebracht waarop weer een hulpvloer komt van 3 steigerdelen breed. Nadat deze vloer over de volle breedte zo goed mogelijk is dichtgelegd en voorzien van heupleuningen is het een montagevloer en waar vanaf gemonteerd wordt....Deze kan na het aanbrengen van kantplanken en knieleuningen werkvloer worden. Figuur 5.1.11 geeft deze werkwijze aan. Klik op de afbeelding om deze te vergroten of download de afbeelding hier.

Figuur 5.1.11 Stappenplan montage en demontage met collectieve valbeveiliging, verdieping hoge slagen MET voorloopleuning

 

Systeem zonder voorloopleuningen 
Bij dit systeem wordt het definitieve leuningwerk van een werkvloer aangebracht vanaf een ongeveer 1 m lager hulpvloer waarop aangelijnd gewerkt wordt totdat heupleuningen zijn aangebracht. Er wordt steeds gemonteerd vanaf een hulpvoer totdat de werkvloerhoogte is bereikt. Deze vloer is montagevloer totdat leuningen en kantplanken compleet zijn aangebracht. Figuur 5.1.12 geeft deze werkwijze aan. Klik op de afbeelding om deze te vergroten of download de afbeelding hier.
 

Figuur 5.1.12 Stappenplan montage en demontage met collectieve valbeveiliging, verdieping hoge slagen ZONDER voorloopleuning

 

Grotere slaghoogten
Ook dit systeem kan worden toegepast bij slaghoogten groter dan 2,20 m. Dit vraagt echter om meer en/of hogere hulpvloeren, dus meer materiaalgebruik en extra montagehandelingen (figuur 5.1.13). Toepassing van het systeem met voorloopleuningen heeft dan de voorkeur.

NB Trappentorens en andere vormen van montagevloeren

Het komt ook voor dat een trappentoren wordt voorgetrokken, bijvoorbeeld bij een bestaand object, waar later steigerwerk op aan moet sluiten. Ook dan kun je met de eerdergenoemde systemen werken door montagevloeren in de trappentoren op te nemen, zodat de latere werkvloer vanuit een beveiligde uitgangspositie kan worden geformeerd. Een andere variant is een renovatie met een gedeeltelijk open gevel met bestaande vloeren, die als uitgangspunt voor een veilige steigerbouw kunnen dienen. 

Figuur 5.1.13 Voorbeelden voor het monteren van een steiger met grotere slaghoogten

5.1.2 INDIVIDUELE BEVEILIGING

Er zijn ook hulpmiddelen die geen collectieve beveiliging bieden maar waarmee wel op individueel niveau een veilige werkplek gemaakt kan worden zonder gebruik te maken van persoonlijke beschermingsmiddelen. Een voorbeeld hiervan is een “montagetrap”. Deze kan bijvoorbeeld toegepast worden bij steigerconfiguraties waarbij door de uitvoering van de steiger niet of slechts gedeeltelijk gebruik kan worden gemaakt van een collectieve voorziening. Te denken valt aan steigers in de industrie. Deze hulpmiddelen worden ingezet vanaf een collectief beveiligde werkvloer. 

Voor het toepassen van hulpmiddelen als individuele beveiliging zijn er de volgende aandachtspunten:

  • Aanbrengen gebeurt vanaf een veilige werkplek.
  • Het hulpmiddel is goed hanteerbaar en eenvoudig in geborgde positie te brengen.
  • Indien aangebracht door één persoon mag het hulpmiddel niet zwaarder zijn dan 23 kg en in geval van twee personen mag het hulpmiddel niet zwaarder zijn dan 46 kg. Dit betekent in het algemeen dat de elementen in aluminium of kunststof moeten zijn uitgevoerd.
  • Bij voorkeur is het hulpmiddel universeel toepasbaar.

5.1.3 PERSOONLIJKE VALBEVEILIGING (PVB)

Het systeem van persoonlijke valbeveiliging (PVB) is de laagste in veiligheidsrangorde. Deze werkmethode komt in feite pas aan bod als andere maatregelen, bijvoorbeeld toepassing van één van de eerdergenoemde werkmethoden (de stand van de techniek), niet mogelijk zijn. Bijvoorbeeld in een industriële situatie waarin je te maken hebt met allerlei bestaande obstakels, zoals
leidingen, bordessen en constructieonderdelen.

In grote lijnen zijn er drie PVB-systemen:

  • horizontaal lijnsysteem bij voorkeur zo laag mogelijk aangebracht maar minstens op 50 cm boven de standplaats van de monteur, bevestigd aan binnenstaanders of aan gevel/object
  • verticaal lijnsysteem aan een bevestigingspunt boven de steigerbouwer.
  • geen lijnsysteem, maar de harnasgordel uitrusten met twee korte lijnen (dubbel aanlijnen).

Figuur 5.1.3 beschrijft deze drie systemen, met inbegrip van toepassingsvoorwaarden en eigenschappen.

5.1.3 Systemen met persoonlijke valbeveiliging (PVB)

Horizontaal lijnsysteem

Op minstens 50 cm boven de standplaats van de monteur, bevestigd aan binnenstaanders of aan gevel/object

Eigenschappen:

  • Veel bewegingsvrijheid voor persoon- en materiaaltransport
  • Geen pendule-effect

Steeds aan- en lospikken is niet nodig

Verticaal lijnsysteem

Bevestigingspunt op minstens 5 m boven persoon, aan vast of mobiel punt (bijv. een voorziening op of aan dak of tegen bestaande gevel). Toepassen in combinatie met chutesysteem of lijnsysteem met instelbare lijnklem.

Eigenschappen:

  • Redelijke bewegingsvrijheid, afhankelijk van de hoogte van het bevestigingspunt; enkele voorbeelden:
    • hoogte 5 m boven persoon: ca 6,10 m¹ vloerlengte
    • hoogte 8 m boven persoon: ca 8,20 m¹ vloerlengte
    • hoogte 10 m boven persoon: ca 9,20 m¹ vloerlengte.
  • Bij een grotere lengtebehoefte moet het systeem worden verplaatst of mobiel worden uitgevoerd.
  • Gering pendule-effect.

Steeds aan- en lospikken is niet nodig.

Dubbel aanlijnen

Harnasgordel is voorzien van 2 korte lijnen met haken. Het systeem is erop gebaseerd dat de persoon altijd is aangelijnd en op minstens schouderhoogte is aangepikt.

Eigenschappen:

  • Geringe bewegingsvrijheid, alleen geschikt voor werk op een kleine oppervlakte.
  • Het handmatig materialen verplaatsen bemoeilijkt het dubbel aanlijnen. 
  • Gering pendule-effect, mits op minstens schouderhoogte aan een vast (constructie)onderdeel aangepikt.

 

5.1.4 Standaard uitrusting monteur

Valgevaar is niet het enige gevaar waaraan de monteur bloot staat. Enkele andere gevaren zijn knellen, lawaai, oogletsel, kou en vocht. Er zijn voor hem dus meer persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) dan alleen de harnasgordel. De standaard uitrusting van de monteur behoort te zijn:

  • veiligheidshelm (volgens NEN 397)
  • veiligheidsschoenen/veiligheidslaarzen (type S3 volgens EN-345)
  • harnasgordel (lifelines inclusief gordel) volgens NEN-EN 365
  • werkhandschoenen (slijtvast, gripvast en warm)
  • werkkleding
  • (door)werkkleding, wind-/waterdicht: thermisch isolerend (zie ook CAO-bepalingen)
  • gehoorbescherming
  • veiligheidsbril
  • gereedschapsriem
  • schouderbescherming.

Met betrekking tot schouderbescherming geldt:

De meeste klachten bij schouderbelasting komen voort uit een verkeerd gebruik van het lichaam. Daarom wordt geadviseerd om het gebruik van een hulpmiddels, zoals schouderbescherming, te combineren met goede instructies t.a.v. het gebruik van de schoudermusculatuur. Wanneer een van beide niet klopt, zullen er altijd specifieke klachten blijven ontstaan. Hierdoor wordt de aversie tegen het gebruik van hulpmiddelen verder versterkt.

Minimale eisen schouderbescherming:

  1. Goede pasvorm door:
    1. flexibiliteit van het materiaal
    2. individuele fabricage
  2. Voldoende veerkracht om de druk van het maximale draaggewicht te kunnen verdelen. Er mag geen puntbelasting ontstaan.
  3. Voldoende breedte voor de “gemiddelde” schouder (small/medium/large).
  4. Moet goed op de plaats gehouden worden met een extern vest of schouderpockets in (T-)shirt.
     

5.1.5 Verantwoordelijkheden (PBM) van werkgever en werknemer

Op het gebied van PBM hebben werkgever en werknemer beiden verplichtingen. Deze komen voort uit de arbowetgeving. Figuur 5.1.5 geeft een samenvatting.

werkgever werknemer
  • Stelt middelen gratis ter beschikking en vervangt ze op tijd.
  • Verzorgt voorlichting en training.
  • Geeft waar nodig draagplicht aan (door borden of stickers).
  • Houdt toezicht op juist gebruik.
  • Voert tussentijdse inspectie uit.
  • Werkt mee aan voorlichting en training over gebruik en onderhoud van PBM.
  • Gebruikt middelen op de juiste wijze.
  • Onderhoudt middelen goed en beheert ze.
  • Meldt vermissing, tekortkomingen of beschadigingen onmiddellijk aan leidinggevende.
Figuur 5.1.5  Verantwoordelijkheden PBM voor werkgever en werknemer

Worden de verplichtingen niet nageleefd dan kan een boete van de Inspectie SZW het gevolg zijn. Ook een werknemer kan worden beboet.

Een bedrijf kan een sanctiebeleid voeren. Zo’n regeling moet wel een betrouwbare basis hebben. Willekeur moet worden voorkomen, de regeling moet in goed overleg tussen werkgever en OR/ personeelsvertegenwoordiging zijn vastgesteld.

Een initiatief van

VSB Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven
www. www.vsb-online.nl

Bouwend Nederland
www.bouwendnederland.nl

Printversie

Geïnteresseerd in een geprinte versie? Bekijk de informatie en bestel uw geprinte versie via ons online bestelformulier. 

Disclaimer

Bij de samenstelling van deze uitgave is door de Commissie Richtlijn Steigers en de instellingen en bedrijven die daaraan hebben meegewerkt, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht. Door de Commissie en meewerkende derden wordt echter geen aansprakelijkheid aanvaard indien gegevens uit deze uitgave niet mochten leiden tot het bedoelde resultaat of aanleiding mochten geven tot enigerlei schade.
U bevindt zich hier: Home Inhoud Richtlijn 5. Opbouw, oplevering en inspectie 5.1 Valbeveiliging